Stel je deze situatie voor. Samen met Karin, het mooiste meisje van de klas in mijn tv-programma en ooit stuntvrouw in Los Angeles, rijd ik in het binnenland van Californië naar een vliegclub. Daar deed Karin twintig jaar eerder haar eerste nachtsprong. Met afschuwelijk gevolg: de parachute ging te laat open en Karin zou haar leven lang gehandicapt zijn. Nog net geen dwarslaesie, maar permanent hevige zenuwpijnen.
Bij deze club zullen we het interview doen over haar leven. Karin zegt weinig, de terugkeer naar de plek des onheils valt haar blijkbaar zwaar. Halverwege de tocht verbreekt ze het stilzwijgen. “Ik wil wéér springen!”, zegt ze resoluut. Verbijsterd kijk ik haar aan en dan volgt de tweede verrassing: “Maar alleen als jij het ook doet!” Ik raak bevangen door een overweldigende stress. “Kortdurende stress is iets positiefs”, zegt neuropsycholoog Erik Scherder. “Het betekent pieken, presteren en goede dingen doen.”
In hemelsnaam dan maar. Ik ga de sprong wagen. Letterlijk. Een uur later zit ik op drie kilometer hoogte in de deuropening van een klein vliegtuig. M’n benen bungelen over de rand. Achter mij telt Marc, een volledig getatoeeerde Irak-veteraan, af: “Drie, twee, ...” Bij één deins ik achteruit. Tevergeefs. Met de gespierde ex-militair op m’n rug val ik in de diepte. “Eerst komt de stress en daarna voel je: yes, het is gelukt!”, zegt Scherder.